U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Artikelen van Bernard van Verschuer

Gisteren reed ik met de auto (op het land gebruiken we nog auto’s) in het dorp op weg naar de bakker. Op de hoek van de straat zaten een zwarte kat en een lijster, een meter tussen hen in, elkaar aan te kijken. Het leek alsof de lijster een black out had en de kat zag eruit alsof-ie aan het nadenken was of het hier om een valstrik ging, een lijster die zich als op een presenteerblaadje aanbiedt. Ik stapte uit de auto en overlegde even of ik zou doen wat elk modern mens in die situatie doet: z’n telefoon pakken om een foto te maken, maar zo modern ben ik nou ook niet. Het meest opmerkelijke was een andere lijster die een paar meter verderop, op een tuinhek, paniekerig heen en weer sprong, heel goed wetende aan welk gevaar z’n partner zich blootstelde.

Toen ik vlak bij was zette de kat de aanval in, de lijster fladderde onbeholpen voor de kat uit, ik ertussen in, deed een vergeefse duik naar de lijster om hem te vangen. De lijster verdween in een heg, de kat er achter aan. Ik graaide in de heg om de lijster te vinden en de kat weg te houden. Twee kinderen op fietsjes (meivakantie) stonden stil om te vragen wat ik aan het doen was en ondertussen vloog de andere lijster paniekerig naast de heg heen en weer.

Tenslotte kwam de kat uit de heg zonder lijster in z’n bek en zette even verderop een volstrekt zinloze aanval op de andere lijster die van de heg wegvloog als om z’n hulpeloze maatje te redden. Een beetje als Poetin die de Polen pakt door de gaskraan dicht te draaien, omdat hij zich toch op iemand moet afreageren.

Ik heb me uit de heg losgemaakt om een brood te gaan kopen.

De tijd van de Corona lock downs is in mijn geheugen een nogal diffuse periode. Ik moet zo nu en dan opzoeken wat en wanneer gebeurde. Maar het was vóór de Corona dat ik een rolletje speelde in een film die Peter Lems heeft gemaakt. Gisteren ging ik in het theater annex dorpshuis van Zevenhuizen het resultaat zien. In de film, die tijdens de oorlogsjaren speelt, treed ik op als dominee in de kerk aan de Kralingse Avenue Concordia. Er is aan mij geen groot acteur verloren gegaan. In mijn herinnering verhaspelde ik de paar zinnen die ik moest uitspreken, in de film valt dat gelukkig niet erg op.

Lees verder Ik ga op reis, Pieter

Na het opruimen van m’n werkkamer verhuisde ik een paar spullen en wat boeken naar de bovenste verdieping. Als ik, aan tafel gezeten, me een beetje uitrek dan zie ik een stukje van de skyline van Rotterdam, het torentje van het raadhuis. Niet de toren van de Laurenskerk. Je kunt niet alles hebben. Een aardewerken beker met potloden nam ik ook mee naar boven. Op de zijkant van de beker zit met plakband een stukje papier. Ik heb het tientallen jaren geleden uit een krant geknipt en op de beker geplakt en was het allang vergeten. Tot gisteren.

Op het vergeelde krantenknipsel staat: “Het geloof is als de vogel die zingt als de nacht nog donker is.” Uit de rede van Prof. W.J. Berger bij gelegenheid van de officiële opening van Verpleeghuis Antonius Binnenweg.

Lees verder Knipsel

De kranten schrijven verhalen als nachtmerries over de toestand in Shanghai, met 27 miljoen inwoners de tweede stad van China. Nu in China het omikron virus rondwaart en de overheid de eerder gehanteerde tactiek van een complete lockdown toepast, komen sommige dingen aan het daglicht. Mensen die positief getest zijn, met niet meer klachten dan een kuchje, worden in een overvolle ziekenzaal tussen anderen, die er erg aan toe zijn, opgesloten. Kinderen van wie de besmette ouders van huis zijn gehaald worden alleen achter gelaten. Mensen zitten thuis opgesloten en kunnen niet
aan eten komen. In China zijn ze in het begin van de pandemie met hun strenge lockdowns nogal succesvol geweest.

Met het halfslachtige gedoe bij ons heb ik wel eens gedacht dat een milde vorm van een verlichte dictatuur, waarbij af en toe iemand met de vuist op tafel slaat en roept “nou iedereen z’n kop houden” zo gek nog niet is. Maar als je er iets verder over denkt dan weet je dat een tussenvorm niet bestaat. Je hebt of iemand die met de vuist op tafel mag slaan, of een democratie als de onze, die soms lijkt op een schip met een kapot roer en een dronken bemanning. Met types als Willem Engel die in de chaos de kop op steekt en de man kan zijn waar hij altijd van droomde. En de krabbelaar Sywert van Lienden die in de verwarring stapels geld binnen wist te harken. Die we nu als een melaatse naar buiten jagen. Zelfs zo dat iedereen die maar met Sywert geappt heeft, zoals Hugo de Jonge, als besmet geldt.

Geef mij dan toch maar een maatschappij met z’n Willem Engel en Sywert van Liendens. Die Sywert, die zit in ons allemaal, meer dat we willen toegeven.

Voor een stukje is weinig tijd want ik ben aan het verhuizen. Omdat het einde van het werkende bestaan nakende is, heeft Marian de lumineuze inval gekregen dat ik mijn werkkamer moet ontruimen om die met het belendende vertrek geschikt te maken voor bewoning door een Oekraïense familie. Tegenspreken durf en doe ik niet, het voelt niet als een gebaar van medemenselijkheid, eerder als een klein maar pijnlijk offer.

Nu waad ik tussen dozen en de chaos die tevoorschijn komt nadat door de jaren heen alles in een schijnbare orde in laden en kasten was verstouwd. Waar ik dan nog werken zal, voor zover dat dan nog bestaat, is nog niet uitgemaakt. De keukentafel of de slaapkamer.

De Engelse staatsman Winston Churchill placht volgens de overlevering vanuit zijn bed het land te besturen. Met papieren om zich heen gestrooid en een asbak op het nachtkastje. Omdat de werkkamer ook toevluchtsoord was om ongestoord te roken is de asbak op het nachtkastje een niet helemaal onaantrekkelijke gedachte. Verder dan dat, die gedachte, zal het niet komen.

Een klein offer, niet meer dan dat.

Waarschijnlijk is Kiev vanuit hier dichterbij dan vanuit Rotterdam maar met vakantie in de Franse Alpen is de oorlog heel ver weg. Zorgeloze mensen in de sneeuw, geduldig in de rij voor de skilift, op terrassen in de zon. Als ergens in Azië een bus in een rivier valt, dan is het een dag later wereldwijd in het nieuws. Kiev, Sarajevo, Aleppo zijn bestemmingen waar je binnen een uur of twee naartoe vliegt. Je kunt er zo maar iemand aan de telefoon spreken en horen wat voor weer het daar is.

Maar als het oorlog wordt dan lijkt het alsof we op verschillende planeten leven. In de krant stond een foto met honderden jongens in uniform op het station in Lviv, wachtende op de trein naar het front. De Europese leiders vergaderden gisteren over het verzoek van Ukraine om lid van de EU te worden. Ze schoven de vraag voor zich uit, maar besloten wel om studenten uit Ukraine tot het Europese uitwisselingsprogramma Erasmus toe te laten. Ik vraag me af hoeveel van die jongens op het perron daar nog aan mee kunnen doen, als de oorlog over is.

Ik was al jaren niet meer gaan skiën en stelde me voor dat het eruit zou zien als de bergen bij de Olympische Winterspelen in China, als een fotonegatief van een ouderwetse vuile onderbroek: witte streep kunstsneeuw in een bruin landschap. Maar hier is boven in de bergen alles wit. Een van de dochters noemt het ‘vergevingsgezinde sneeuw,’ ook als je niet heel goed kunt skiën ga je fluitend van de berg af.