U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Resultaten voor de categorie Column

Een paar jaar geleden ging ik met iemand van de gemeente op bezoek bij een nieuw wijkcentrum in het Oude Noorden. Doel van het bezoek was om te zien hoe het Turkse wijkcentrum met de buurt, de niet Turkse wijkbewoners, verbonden kon worden. We begonnen met een rondleiding en het gezicht van de gemeenteambtenaar betrok, toen ons een zaal getoond werd met kastjes voor de schoenen bij de deur, tapijten op de grond en een gestoelte voor een spreker. Dat het wijkcentrum een gebedsruimte of een moskeefunctie zou krijgen was blijkbaar niet de afspraak geweest.

Nu moeten van het gemeentebestuur alle godsdienstige activiteiten rigoreus uit de wijkcentra verbannen worden. Zou het gemeentebestuur weten dat veel wijkcentra in de stad zijn opgezet als Rooms Katholiek, Hervormd of Gereformeerd wijkcentrum? En dat het motief van de kerken in de meeste gevallen was, niet het winnen van zieltjes voor de eigen groep, maar het leveren van een bijdrage aan het verheffen van de wijkbewoners.

Het verschil met toen is dat er nu de Islam is. De Islam wordt geassocieerd met vrouwenonderdrukking, homohaat en bomgordels. De Islam wordt beschouwd als iets wat gedoogd moet worden, er is nu eenmaal vrijheid van godsdienst, maar niet meer dan dat.

De gedachte dat godsdienst een opbouwende betekenis heeft die aan mensen ten goede kan komen is blijkbaar niet meer van deze tijd.

Tweehonderd jaar nadat men voor het laatst de graftombe geopend had waarin volgens overlevering Jezus na zijn dood neergelegd zou zijn is opnieuw onderzoek gedaan. Daaruit blijkt dat de steen die het graf afsluit veel ouder is dan verondersteld. De steen is in het jaar 345 op die plaats gelegd. De Romeinse keizer Constantijn liet in die tijd boven de grafsteen een kerk bouwen, in de twaalfde eeuw verving men die voor de Heilig Grafkerk, een van de grootste bedevaartsoorden van de christenheid.

Iets is er misgegaan in de afgelopen tweeduizend jaar. De kerk van het heilige graf in Jeruzalem is daarvan een symbool, of zou je kunnen zeggen: daar is het met het misgaan goed begonnen. Jezus heeft aan zijn leerlingen de Heilige Geest gegeven. Daar zouden ze het mee kunnen doen: zo leven als hij het had voorgedaan. Maar de mensen moesten er zo nodig een ding, een apparaat, een kerk, een instituut van maken.

Advent kun je zo verstaan dat het elk jaar weer opnieuw begint. Met bijna niks: de verwachting dat er iets op komst is, anders wordt. Hier begint het, bij mij, in mijn leven. Je moet het bij jezelf zoeken, niet in een instituut, een autoriteit, een ding, een leer of zelfs in een kerk.

De eerste keer was hij voor armzalige dertig zilverlingen van de hand gedaan. Deze week werd een portret van hem verkocht voor 380 miljoen Euro. Het gaat er niet om dat het Jezus is die door Leonardo Da Vinci is geschilderd als Salvator Mundi, ‘redder van de wereld.’ Was het een stilleven met een bakje bananen geweest, door Da Vinci geschilderd, dan was er waarschijnlijk hetzelfde voor betaald.

Nu het toch een schilderij met een voorstelling van Jezus is, een portret van een man met een nietszeggende uitdrukking in de ogen en een glazen bol in de linkerhand, ligt het voor de hand om daar een conclusie uit te trekken. En wel deze: dat mensen alleen nog in staat lijken te zijn om de waarde van iets te bepalen door middel van geld. Wat niet met dollars of euro’s kan worden gewaardeerd doet er niet toe. Dat is ontluisterend voor de kunst, voor schoonheid, voor liefde, voor geloof en hoop en tenslotte voor de mens zelf.

De Salvator Mundi wordt voor de zoveelste keer als offer van menselijke verdwazing aan een spijker opgehangen.

 

Afgelopen zondag 12 november werd n.a.v. de lezing uit Mattheüs 24:15-28 de bovenstaande liturgische bloemschikking gemaakt door Anneke Bliek.

“In de schikking is dood en verderf te zien. Strijd, zwaarden en stokken, geknakte levens, rode bloeddruppels op een verwoeste aarde. Temidden van alle ellende zeven witte rozen, die vertwijfeld hun kopjes omhoog steken richting de hemel en bidden om Gods redding hieruit”

In het Franciscus ziekenhuis (dat voortaan Franciscus zonder “Sint” heet, werd met nadruk verteld, alsof men daarmee een grote knoop had doorgehakt) was een ontmoetingsochtend voor voorgangers van religieuze gemeenschappen in Rotterdam Rijnmond. Bij “Voorgangers van religieuze gemeenschappen” denk ik niet meteen dat ik daarmee word bedoeld maar ik ging er toch naar toe.

Onderwerp van de ochtend was “begrip en onbegrip rond het levenseinde.”

In het Franciscusziekenhuis hebben ze naast andere geestelijk verzorgers ook een geestelijk verzorger met de titel Consulent Levenseinde Vragen (CLV). Uitgelegd werd hoe zorgvuldig en secuur met vragen van mensen die niet meer willen leven wordt omgegaan.

Een islamitische geestelijk verzorger deed het verhaal van een jonge man, moslim, die op de fiets was aangereden en een dwarslaesie opliep. Als verlamde man wilde hij niet verder. Hij wilde dood. In gesprekken met de geestelijk verzorger kwam de op de achtergrond geraakte gelovigheid van de jonge man naar boven. Na verloop van tijd kreeg hij weer zicht op het leven en stelde hij vast dat het leven in een rolstoel niet onderdoet voor een ander leven. Hij was, vertelde hij aan de geestelijk verzorger, twee keer geboren. Een keer nadat God hem in de buik van zijn moeder had geformeerd. De tweede keer toen hij het leven ontdekte als mens met een tekort.

Soms lijkt, soms is er geen verschil tussen mensen, tussen de ene religie en de andere, tussen de ene God en de andere.

Maandag reisde ik met de trein naar Utrecht en later van Utrecht naar Amsterdam. In Amsterdam moest ik naar iemand in Zuid. Op de plaats van bestemming werd pas na enige tijd open gedaan. Ik was onzichtbaar omdat ik niet recht voor de bewakingscamera gestaan had. Mij werd verteld dat in de buurt af en toe overvallen worden gepleegd door mannen met hesjes van pakketbezorgers die aanbellen en naar binnen dringen. Bij een bekende was het huis leeggeroofd en de Maserati meegenomen. Ik zei dat we in Rotterdam zulke voorvallen niet hebben.

Met de trein in Rotterdam teruggekeerd zocht ik m’n fiets in de stalling op. Die bleek gestolen. Ik dacht, dat krijg je van dat gepoch over dat het in Rotterdam allemaal wel meevalt. Het was dan geen Maserati, altijd nog wel een Gazelle. In woede en verwarring liep ik naar huis. Thuis aangekomen was ik enigszins gekalmeerd. Ik had de fiets een jaar of twintig gehad. Hij zag er nog aardig uit, maar hij was karsversleten. Bij het op een brug naar boven fietsen kraakte hij amechtig in zijn binnenste, er zat een lelijke slag in het achterwiel, de lichten waren kapot en het ergste euvel: bij het over een verkeersdrempel fietsen klapte het zadel naar voren of naar achteren. Ik kreeg het niet meer vast op de zadelpen geschroefd.

Mocht u, lezer, op straat iemand tegenkomen op een zwart Gazelle herenrijwiel balancerend met het achterwerk op een zadelpen, wil mij het genoegen doen hem nog een heel fijne dag te wensen.