U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Resultaten voor de auteur Bernard van Verschuer

Bernard van Verschuer

In de krant (NRC) van dinsdag 9 april stond een wat zuur ingezonden briefje waarin de schrijver de redactie eraan herinnerde dat op die dag, 75 jaar geleden, Dietrich Bonhoeffer, Duits theoloog en betrokken bij het verzet tegen Hitler, werd terechtgesteld, op 9 april 1944 in Berlijn. En of het niet op z’n plaats was om daar in de krant aandacht aan te besteden.

Goed dat de briefschrijver me eraan herinnert, dacht ik. En, dacht ik verder, een beetje gemakzuchtig om zo’n wrokkig briefje te schrijven. Dat had hij een paar weken eerder moeten doen. En dan zelf op moeten schrijven waarom Bonhoeffer het waard is om herinnerd te worden.

Wat traag in de bovenkamer bedacht ik later dat Bonhoeffer toch vlak voor het einde van de oorlog was vermoord. En ja, de dag van zijn terechtstelling was niet in 1944, maar op 9 april 1945. In de 12 jaar die de heerschappij van de Nazi’s duurde zijn niet zovelen overeind gebleven: doodgemaakt, opgesloten, weggejaagd of met meer of minder enthousiasme erachteraan gelopen. Bonhoeffer heeft zich verzet en in de gevangenis een dagboek geschreven waar hij zichzelf, de christenen, de Duitsers de vraag stelt waar ze nu staan. Bonhoeffer werd in de jaren zestig als voordenker van de “God is dood theologie” gepropageerd. In waarheid was hij een vrome christen die zich afvroeg hoe je als Duitser of Europeaan christen kon zijn, ten overstaan van het morele faillissement.

Waanzinnig en zinloos, dat ze hem, vlak voordat alles ineenstortte, nog hebben vermoord. Duivels is het.

Bij het zoeken naar overboord gevallen containers in de Noordzee werd in de afgelopen week toevallig een scheepswrak uit de 16e eeuw gevonden. De lading was een partij koperen platen, de platen waren gestempeld met de initialen van het handelshuis Fugger.

De Fuggers uit Augsburg hadden kopermijnen en een bank. Hun grote rijkdom maakte hen zeer machtig. Toen Maximiliaan in 1486 keizer van het Heilige Roomse Duitse Rijk wilde worden moest hij eerst naar de bankier Fugger om te vragen of die zijn keizerschap wilde financieren. De aflaathandel, aanleiding voor het protest van Luther tegen de Kerk in Rome, werd door de Fuggers georganiseerd, zij zorgden ervoor dat het geld in Rome kwam. Het geld dat keizer Karel V nodig had voor de oorlogen tegen de van Rome afvallige vorsten kwam van de Fuggers.

Het Huis Fugger was wat we nu een multinational noemen, te vergelijken met bedrijven als Apple en Microsoft in de 21ste eeuw. Zo rijk dat ze zich bijna alles kunnen permitteren en regeringen naar hun hand kunnen zetten. Geen prettige gedachte.

Ook hun resten zullen ooit worden aangetroffen, op een zeebodem of ergens anders.

Ooit van gehoord, van de Stavanger Verklaring? Het is de conclusie van een groep Europese wetenschappers over hun studie naar het lezen van teksten op digitale schermen en teksten op papier. Ze stellen vast dat er geen verschil is bij het lezen van informatieve teksten, wel bij het lezen van langere teksten, waarbij inzicht in achtergronden en verbanden gevraagd wordt; wat zij noemen “diep lezen.”

Het is dus niet altijd om het even of je een boek leest van een scherm of van gewoon papier. Volgens de wetenschappers is verder onderzoek nodig, zeker als ook het onderwijs meer en meer digitaliseert.

Opmerkelijk is dat ik over die Stavanger Verklaring las in een Duitse krant, en dat in dat artikel de naam van een buurman van het Pijnackerplein werd genoemd die een van de onderzoekers is. Wat me weer bevestigt in m’n overtuiging dat het Pijnackerplein toch wel zoiets is als de navel van de wereld.

We gingen een paar dagen weg en Marian wilde nog schoenen kopen waarop ze gemakkelijk een hele dag kon lopen. Uit de schoenenwinkel belde ze op: of ik op weg naar huis de schoenen wilde betalen en meenemen. Ze was haar portemonnaie kwijtgeraakt. In de winkel keek ik nog onder de rekken met schoenen, de portemonnaie was er niet. Ook niet ergens anders, hij was verloren, met bankpassen, rijbewijs, OV kaart, boekenbonnen en al die plastic kaarten die voor het leven onontbeerlijk zijn.

We gingen een paar dagen weg en kort nadat we weer thuis waren werd op Marian’s bankrekening één eurocent bijgeschreven met de mededeling, ‘portemonnaie gevonden’ en een telefoonnummer.
De portemonnaie was gevonden in de Erasmusstraat. Een meisje deed de deur open. Ze zei dat haar opa de portemonnaie op straat gevonden had, hij lag boven te slapen.

Daarvoor hadden we ons beraden over de hoogte van het vindersloon. Ik vond, niet persé uit krenterigheid, dat het binnen proporties moest blijven: iemand z’n portemonnaie terugbezorgen is per saldo geen uitzondering, maar de norm en als je doet alsof het zo buitengewoon uitzonderlijk is geef je blijk van een erg pessimistisch wereldbeeld.

Uitzonderlijk blijft het ondertussen, het beweegt de manier waarop een mens naar z’n omgeving kijkt.

We hebben het kleinkind te logeren. Vanmorgen na vijf uur was hij aan zijn ontbijt toe, het kon nog even uitgesteld. Tijdens dit ongewone begin van de dag kwam een flard van het radionieuws over de aanslag in Nieuw Zeeland.

Tien gedachten flitsen tegelijk door m’n hoofd. Dat dit minder erg is dan wanneer het een moslim met een geweer in een kerk zou zijn. Dat die gedachte nergens op slaat. Dat er een spoor van verklaring zou zijn als het in Parijs was gebeurd of in Rome, op een plaats waar mensen botsen, waar een link te leggen is met het Midden Oosten of migratie of achterstand. Maar niet in Nieuw Zeeland, twee eilanden ver van al het gedoe in de wereld.

Als je bedenkt dat zoiets, door wie dan ook tegen wie dan ook gericht, overal, ook dus in Nieuw Zeeland, kan gebeuren, dan zegt dat misschien iets over alle geweld dat waar dan ook de kop op steekt. Dat het niet uitmaakt waar het is of door wie of waarom: dat iedere duiding zinloos is.

Het is het kwaad dat iemand aanzet om erop los te moorden.

Er valt hier niets te duiden. Het kwade moet worden bestreden en in die plicht zijn alle culturen en religies een.

Een week geleden werd de oud advocaat en ‘fixer’ van Trump, Michael Cohen, verhoord in een commissie van het Huis van Afgevaardigden. Het was me ontgaan totdat ik er deze week in de NRC over las. Niet over het verhoor, maar over het slotwoord van de commisievoorzitter Elijah Cummings. Ik bekeek het op Youtube (acht minuten, Cummings-Cohen) en dacht: mochten m’n preken daar een beetje op lijken.

Cummings richtte zich in het slotwoord rechtstreeks tot Cohen en zei: “U kunt zich afvragen waartoe overkomt mij dit allemaal, in plaats van waarom? Opdat u de kans heeft een beter mens te worden. Wij geven u die kans (Cummings geloofde dat Cohen in de hoorzitting de waarheid sprak) omdat ook wijzelf de kans moeten grijpen om betere mensen te worden. Omdat Amerika een beter land moet worden, beter dan wat het nu is. Omdat we onze democratie intact moeten houden, het land beter achterlaten voor onze kinderen dan het nu is. “

In het slotwoord van Cummings is er eerst het aanbod van omkeer, de mogelijkheid van bekering. Niet alleen voor de leugenaar en zondaar Cohen, Cummings trekt het in een breder verband. In feite zegt hij: wij allen kunnen nu de kans grijpen en omkeren om het beter te doen. Ten tweede de belofte: het visioen van een beter Amerika. Het is niet voor ons maar voor onze kinderen. Ten derde de troost: met zijn woorden krabt Cummings als met nagels en vingers een gat en trekt hij een sluier weg waardoor waarheid onthuld wordt. Een beerput, zo is het, maar er is dus nog de mogelijkheid om het bloot te leggen, er is nog zoveel waarheid dat leugen als leugen wordt ontdekt. En wij zijn geroepen om het beter te doen.

Wat het tenslotte zo overtuigend maakt is het ontbreken van elke vorm van retoriek. Stotterend en kuchend, soms zwijgend zoekende naar woorden, zo nu en dan bijna overmand door het gewicht van de zaak sprak Cummings zijn woorden. Het woord “God” kwam er niet in voor, maar die zal uit de hemel toegekeken en ‘amen’ hebben gezegd.