U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Resultaten voor de categorie Column

Op de hoek van de Bloklandstraat en de Eerste Pijnackerstraat, in de buurt van de Hildegardiskerk, is een blok huizen gesloopt. Twee rijen over een lengte van zo’n 100 meter. Midden op de kale steenwoestijn is één huis overgebleven. Ze hebben het voorzichtig losgemaakt van de panden waar het tussen stond, de zijwanden gestut en met isolatie bekleed. Hoog, smal en kwetsbaar staat het huis er, als een oorlogskind dat zich na een bombardement verdwaasd afvraagt waar iedereen gebleven is.

Het laat negentiende eeuwse huis is van een echtpaar. Het is sinds generaties in de familie en het echtpaar had niet lang geleden veel geld aan een renovatie besteed. De wooncorporatie die het huizenblok door nieuwbouw vervangt wilde niet genoeg betalen zodat niets anders overbleef dan in het bestaande huis te blijven.

Zo nu en dan fiets ik er langs om vast te stellen dat het huis nog overeind staat.

Carola Scholten en Nette Falkenburg zijn pedagogisch medewerker en geestelijk verzorger in het Sophia kinderziekenhuis. Bij een van de vespers met het thema ‘God in Rotterdam’ kwamen ze vorige week vertellen over ‘God in het Sophia ziekenhuis.’

Uit het hele land komen kinderen naar het hoog gespecialiseerde ziekenhuis, niet weinigen gaan er met een nieuw hart, lever of nieuwe longen vandaan. Er wordt ook veel gehoopt en gevreesd. In het Sophia kinderziekenhuis is God niet ver weg. De ouder van het zieke kind vestigt zijn vertrouwen op de deskundige artsen, op de mogelijkheden die in het Sophia onbegrensd lijken te zijn.

Maar als er toch een grens in zicht komt kan alleen nog gehoopt en gebeden worden.

Vorige week waren twintig mensen van wooncorporaties uit het land twee dagen op bezoek in Rotterdam. In Rotterdam Zuid waren ze te gast bij corporatie Woonbron die een toer langs bouwprojecten rond het Zuidplein geregeld had.

Ze kwamen ook kijken in het Stadsklooster, waar Woonbron aan meewerkt. Met twee bewoners vertelde ik over het leven in het Stadsklooster. Niet zo heel bijzonder, want ieder woont gewoon op zichzelf, er wordt niet dagelijks gebeden en zelfs niet alle kloosterlingen noemen zich ‘Christen.’ Maar wonen in het Stadsklooster betekent wel dat je iets doet voor de mensen in de wijk en dat je elkaar ontmoet, koffie drinken en af en toe eten, en dat je belangstelling hebt voor elkaars wel en wee.

‘Ja’ zei een van de mensen van de wooncorporaties, ‘zo zouden alle mensen die in hetzelfde portiek wonen met elkaar kunnen omgaan. Daar heb je geen Stadsklooster voor nodig.’

Nee, denk ik, daar heb je geen Stadsklooster voor nodig en wie wil niet zo met anderen leven, met een beetje aandacht voor elkaar. Maar in de praktijk moet je om zo te leven tamelijk vaste afspraken maken waaraan iedereen zich belooft te houden, want anders komt er niet veel van terecht.

Zo is de mens nu eenmaal. Niet slecht, maar een duwtje in de rug helpt wel.

Volgens psycholoog Douwe Draaisma zijn onze herinneringen afhankelijk van de leeftijd waarop we ze herinneren. Wanneer je dertig bent herinner je je iets uit je kindertijd doorgaans anders dan als je zestig bent.

Voor de herinneringen aan de wederopbouw van de Laurenskerk is de theorie van Draaisma niet te gebruiken: wie zich wat herinnert is minstens zestig. Het opmerkelijke is dat de herbouw en de voltooiing van de Laurenskerk zo’n grote indruk heeft gemaakt. Wie toen kind was herinnert zich hoe zijn ouders erbij betrokken waren en hun vrije tijd besteedden aan vergaderen en geld inzamelen. Ze herinneren zich hoe ze met hun vader tussen de steigers en de bouwketen in en rond de kerk liepen of speelden tussen de stenen.

Omdat heel Rotterdam een grote bouwplaats was en hogere, grotere en imposantere gebouwen werden opgetrokken dan de Laurenskerk. Maar de Laurenskerk symboliseerde iets, waarvoor mensen bereid waren hun tijd, geld en moeite op te offeren.

De kerk is nog hetzelfde symbool. Zij staat voor iets wat overgeleverd is wat een waarde vertegenwoordigt die mensen bij elkaar brengt voor een doel dat groter is dan individuele belangen en zorgen. Het is een symbool van de verbinding tussen mensen, niet alleen Christenen, maar iedereen die Rotterdam wat waard is.

In een protestantse kerk in Den Haag woont sinds een dag of tien de familie Tamrazyan, vader, moeder en drie kinderen. Ze hebben negen jaar vergeefs geprobeerd om Nederlandse papieren te krijgen. Om te voorkomen dat ze op het vliegtuig gezet worden hebben ze eerst in Katwijk en nu in de Haagse Bethelkerk toevlucht gezocht. Degene die in de Bethelkerk de doorlopende kerkdienst regelt (want de politie komt niet binnen als er een dienst aan de gang is), vertelde dat het vinden van voorgangers voor diensten midden in de nacht geen enkele moeite kost, kerkgangers soms wel. En ze vertelde over de vele steun uit het hele land voor de actie in de Bethelkerk.

Ik bracht er tegenin dat Armenië een arm land is en waarschijnlijk corrupt, maar niet onveilig en dat daarom Armeniërs niet voor asiel in aanmerking komen en dat wist de familie Tamrazyan tenminste al negen jaar. Maar, zei de coördinator van de Bethelkerk: “Als ze op een dag bij je op de stoep staan en om onderdak vragen, als medechristen, wat doe je dan?”

Daar had ik niks tegen in te brengen. We waren het er ook over eens dat zo’n illegale actie als deze het suffige imago van de kerk geen kwaad doet.

Hoe het af zal lopen? Ik denk voor de familie niet gunstig. Wie er dan wat bij gewonnen zal hebben? De kerk die niet doof was voor de roep om hulp? De familie, omdat ze niets ongeprobeerd lieten? Het recht dat z’n beloop krijgt? Voornamelijk verliezers, vermoed ik.

In de auto hoorde ik een radio-interview met de militair Mart de Kruif, die in Zuid-Afghanistan bevel voerde over 40.000 Nederlandse en andere ISAF troepen. In die hoedanigheid stuurde hij in een jaar 282 brieven aan nabestaanden van gesneuvelde manschappen.

Hem werd gevraagd of die oorlog, met de levens die het heeft gekost van Afghaanse burgers en van soldaten, achteraf gezien wat opgeleverd heeft. De Taliban zijn niet verslagen, in Afghanistan is wel wat veranderd, maar veel hetzelfde gebleven. Het antwoord trof me zo dat ik de rest van het gesprek gemist heb. Hij zei dat de vraag of die oorlog en de slachtoffers zin hebben gehad een terechte vraag is, maar dat hij zich ook een andere vraag heeft gesteld: “Waar sta je voor?”

Wat in het leven van iedereen telt is, of het zin heeft wat je doet, of het iets oplevert. De andere vraag, die van Mart de Kruif, is waar je voor staat en wat je dan te doen hebt. De laatste vraag valt wat vreemd en ongemakkelijk binnen in ons universum van rendementsdenken en ‘targeting’, maar hij lijkt me minstens zo wezenlijk als alle andere.