U gebruikt een verouderde browser. Om die reden werkt deze site wellicht niet naar behoren.Direct naar hoofdinhoud

Resultaten voor de categorie Column

Om erachter te komen wat “OK Boomer” betekent moest ik op het internet zoeken. Dat ik uit de generatie van na de oorlog, een baby-boomer ben, wist ik. “OK Boomer” is onze nieuwe aanspreektitel en het wil zeggen: het is tijd dat jij en de rest van je generatie een toontje lager zingen. Jullie hebben alle kansen gehad. Mee gedreven op de welvaartsgroei waarvoor je ouders zich in het zweet hebben gewerkt. De monden vol van een betere wereld (1968) maar ondertussen vooral zelf links en rechts de vruchten geplukt. Huizen gekocht, toen voor een prikje, waar onze kinderen nu alleen van kunnen dromen omdat ze onbetaalbaar geworden zijn.

Ik heb gehoord van gepensioneerde generatiegenoten die met de van de overwaarde van hun huis gekochte kampeerauto’s rondtoeren en op campings in Kroatië het leven vieren. Nee, wij hebben alleen het staartje van de koude oorlog meegemaakt, nooit een echte. Ja, wij brachten het grootste deel van ons leven door zonder de dreiging van een klimaatcatastrofe. Maar om me nu met “OK Boomer” als uitvreter aan de kant te laten zetten is ook weer zo wat.

Onze ouders vertelden ons over de oorlog die ze hadden meegemaakt. ”Wij” hebben hun wel eens gevraagd of ze er zelf zo onder geleden hadden als ze ons wilden laten weten. In “Ok Boomer” schuilt het verzoek om plaats te maken. En misschien ook de notie dat zij die na ons komen nu aan de beurt zijn om het anders, wie weet om het beter te doen. Ik zou zeggen: aan de slag dan maar.

Sinds kort is er eens in de twee weken op donderdagmiddag “Kerkcafé” in de Laurenskerk. Afgekeken van de Pauluskerk, een uur waarop iedereen die al dan niet toevallig voorbijkomt kan aanschuiven, iets te drinken krijgt en uitgenodigd wordt om mee te praten over een woord of een korte tekst.

We, Marijke van Essen, Peter Noordmans en ik, hebben twee keer Kerkcafé gedaan en het resultaat is verbluffend. We hadden de eerste keer één gast aan tafel, de tweede keer eerst ook éen en later een paar erbij. Het verbluffende zit hem dus niet in de aantallen. De gast op de tweede donderdag was een dame uit China, die in Londen woont en in Rotterdam op bezoek was. Het gesprek (in het Engels) ging over ‘geloven.’ De vrouw vertelde iets over Tao en Confucius en dat haar geloof gericht was op de mogelijkheid om zich te verbeteren. Te verstaan als streven naar een hoger niveau in persoonlijk en beroepsleven, voor zichzelf en ook voor het Chinese volk.

Verbluffend is het om in een minuut of twintig iets te zien te krijgen van iemands binnenste. Het heeft te maken met de ‘magische’ ruimte van de kerk. Het heeft er denk ik ook mee te maken dat je als bezoeker van een stad zomaar uitgenodigd wordt om te praten over wat je beweegt, wat je in een klap uit de anonimiteit optilt. Er moet nog wat aan geschaafd worden, aan het concept Kerkcafé, maar voorlopig gaan we ermee door.

Op de valreep gingen we de film Amazing Grace zien, die donderdag voor het laatst in Kino was. De film is een rommelige opname van twee avonden in 1972 in een baptistenkerk in Los Angeles. Twee kerkdiensten met een dominee die piano speelde, het koor leidde, zo nu en dan wat zei en op een ogenblik zich in een stoel liet vallen om zijn gezicht te verbergen in een grote witte zakdoek.

Er was een koor dat de zangeres ondersteunde. Soms zongen ze niet, maar riepen de koorleden door elkaar heen, barstten ze in snikken uit, zwaaiden met de armen, bewogen met hun lijven, sprongen van hun plaatsen. Het koor was niet alleen koor, maar een soort van volksparlement op de achtergrond dat behalve zong ook commentaar gaf, opzweepte of in gepeins leek te verzinken.

Lees verder De Geest

9 November is het dertig jaar geleden dat in Berlijn op de grensovergang de slagbomen omhoog gingen en de mensen van oost en west elkaar huilend en lachend in de armen vielen. Het was het einde van de koude oorlog. Niemand rekende ermee, er werd geen schot gelost, het was een wonder.

Ik was nog nooit achter het IJzeren Gordijn geweest, maar in het begin van de jaren negentig verhuisden we naar het voormalige Oost Duitsland. Wat me is bijgebleven is de algehele ontreddering. Mensen moesten verzekeringen afsluiten, diploma’s bleken niets waard te zijn, het fenomeen werkeloosheid was volstrekt onbekend, enzovoort.

Die uit het westen overspoelden het land met hun glimmende Mercedessen om de boel op orde te brengen en ook om te zien of er iets terug te vorderen was, huizen die hun naar het westen getrokken ouders ooit hadden achtergelaten. De Duitsers waren voortaan een volk met winnaars en verliezers. De winnaars wisten het, de verliezers kregen het te voelen. Er waren West Duitsers die zich niet als winnaar gedroegen, er waren Oost Duitsers die weigerden verliezer te zijn, maar dat zij in het oosten verliezer waren is er diep ingewreven.

Wat ook blijft is de herinnering getuige te zijn geweest van een wonder.

In de krant was een artikel over Aretha Franklin, de gospelzangeres die een jaar geleden overleed. Tijdens haar leven werden opnames voor een film gemaakt, de vertoning van de film heeft ze altijd tegengehouden. Nu, na haar dood, is die er wel. De film heet “Amazing Grace,” naar het lied dat Aretha Franklin onsterfelijk maakte. Ze zingt het in de film en volgens de recensent is dat een verpletterende ervaring.

Ik dacht aan Obama die Amazing Grace begon te zingen bij een toespraak voor een vermoorde zwarte dominee. En aan het verschil tussen de ene Amerikaanse president en de andere. Amazing Grace is niet uit de Amerikaanse gospeltraditie, maar de emotie die het lied oproept past beter bij zwarte dan bij witte christenen.

Is dat zo omdat de ene groep, de zwarte, meer weet heeft van het lijden en daarom de “ervaring van genade” meer in het lijf heeft zitten dan de andere? En is dat dan een vorm van hemelse gerechtigheid, die de ene groep ontvankelijk en de andere doof en blind maakt voor de ervaring van ‘genade’?

De film ga ik in ieder geval zien.

In de winkel stond ik achter een man in een RET-uniform die twee oranje pompoenen afrekende. Ik vermoed niet om er soep van te koken, maar voor Halloween. Op de pompoenen waren ogen en een mond geplakt. Halloween is afgeleid van “Hallows,” “Allerheiligen.”

De dag erna, op 2 november, is “Allerzielen,” een dag in de Rooms Katholieke traditie waarop men de overledenen gedenkt. Tradities hebben een eigen dynamiek, sommige raken op de achtergrond en verdwijnen, andere tradities, die verdwenen leken, komen weer opzetten zonder dat daar een verklaring voor is. En weer andere lijken te muteren zoals Allerheiligen in Halloween.

De dag van Allerzielen lijkt aan “comeback” bezig. In t.v. programma’s vertellen mensen over gestorven geliefden. Her en der, in en buiten kerken, worden kaarsen aangestoken, symbool van
de herinnering aan iemand die er niet meer is. Mensen lijken meer gevoel te hebben voor symboliek en daarmee de behoefte aan een ritueel.

Heeft die behoefte te maken met degene die er niet meer is of met de menselijke onzekerheid over het eigen eindige bestaan? Symbolen begrijpen ons beter dan wij onszelf begrijpen, daar zal het mee te maken hebben.